Het giet buiten. Een enkeling rent hollend door de verlaten straten, op weg naar hun thuis. Waar ze droog en warm bij hun gezin zullen zitten met een kop thee. Natuurlijk hoeven ze geen gezin te hebben, maar ze zitten dan wel veilig droog beschut in hun huis.
Ik observeer de rennende mensen, met hun tas op hun hoofd, zodat ze de kans hebben minder nat te worden, in plaats van helemaal doorweekt. Ik hou van mensen observeren. Als je erop let is het prachtig om te zien, er zitten hele verhalen achter mensen.
Zo heb ik eens gezien dat er een jongetje telkens iets aan zijn moeder wou vragen, maar moeder was te druk bezig met het praten aan de telefoon. Als het jongetje dan een zet probeerde te wagen, ging moeder met haar hand naar de telefoon, en zei tegen het jongetje dat hij even moest wachten. Daarop was de reactie dat het jongetje zuchtend ging zitten en mokkend in zichzelf ging zitten praten, daardoor rolde de moeder geïrriteerd haar ogen, zuchtte even diep en ging met een glimlach weer door ging met haar telefoongesprek. Ook maakte ik een keer mee dat er een man telkens, als hij moest lachen een vreemde rochel vanuit zijn binnenste kwam. Het klonk verschrikkelijk, maar zelf had hij er geen erg in. Dan keken de mensen hem even vreemd aan, maar al snel gingen ze door met waar ze mee bezig waren.
Er zijn veel mensen met eigenbelang, die alleen met zichzelf bezig zijn. En geen oog hebben voor wat er om hun heen gebeurd. Die niet letten op de details. Ik doe het wel. Ik observeer.
Ik kijk goed, zo zag ik dat er op een tafeltje van een restaurant 4 placemets stonden met een bloem in het midden. De bloem was bijna uitgedroogd, ook was er een stukje van een placemet afgescheurd. De tafel was blauw, lelijk, fel blauw. Het stak af bij de placemets. De tafel zelf kon ook wel een opknapbeurd gebruiken, hij was versleten en je zag stukken bruin hout erdoor heen. Neem 1 ding aan, ik zal daar nooit gaan eten.
Het is nu herfst, het regent hele dagen en de straten zijn uitgestorven. De vogels hebben zich terug getrokken in hun nesten en als er mensen op straat zijn, is het óf om de hond uit te laten, of ze zijn op weg naar iemand toe, dat zijn de stakkers die geen auto kunnen betalen, en mopperen op de regen.
Ik hou wel van de stilte die er op straat huist, maar ook op het park of het strand. Een enkeling waagt zich om een wandeling buiten te maken, die mensen vind ik geweldig. Ze zijn niet bang voor de regen, ze zijn net zoals mij. Ze genieten van de regen die op je hoofd beland, en langzaam naar beneden glijdt. Ik hou van de geur, die de regen uit laat, van de wind die stilletjes waait, en van de stilte van het nachtleven. En doordat het op deze dagen de regen met bakken uit de lucht valt, en de donkere wolken de zon niet zijn kans laat om te schijnen lijkt het nacht. Ik wil niet zeggen dat ik een hekel aan de zomer en de zon heb. Absoluut niet, maar de regen geeft iets rustgevends.
Ik sta op en ga naar de overkant, daar is een café, waar luid gepraat vandaan komt, en er een warmte van binnenaf uitstraalt, die je uitnodigt om binnen te komen.
"Mag ik een warme chocolademelk met slagroom, alstublieft?" is wat ik vraag als er een serveerster mijn bestelling op komt nemen. Ik zit in een hoekje, wat verder af van de oude mannen die bier drinken en luidruchtig praten. Ik heb uitzicht uit het raam, en de mensen die ook besloten hebben de wat rustigere kant op te zoeken. Ik zie een stelletje zitten, druk bezig met een gesprek. Het meisje kijkt zo nu en dan wat wanhopig, ze zoekt steun bij de jongen. Maar de jongen ziet er hard en bot uit. Alsof hij niet openstaat voor de mening van het meisje. Uiteindelijk loop het meisje van de tafel weg en gaat de wc in, tevens naast mijn zitplek. De jongen kijkt nu bedroefder, de harde kant van hem is weggesmolten. Ik merk hoe hij in zichzelf overlegt, wat hij nu moet doen, je ziet een denkrimpel op zijn hoofd.
Tegenover mij zit een oude man, alleen aan een kop koffie. Hij leest de krant, de 'metro'. Hij leest zachtjes hardop, soms vang ik een woord op, en grinnik bij mezelf. Hij heeft een accent, wat hier normaal niet gesproken word. Zo nu en dan legt hij de krant even weg en neemt een slokje van zijn koffie, hij lijkt verzonken in zijn eigen gedachtes.
Langzaam laat ik mijn aandacht van de man en de jongen afzakken, en staar naar buiten. Ik kijk naar het bankje dat nu leeg is, het bankje waar ik zo-even op heb gezeten. Ik ben benieuwd wat ik straks ga doen. Ik drink mijn chocolademelk op, en vraag de rekening, dan betaal ik en ga de regen tegemoet. Terwijl ik naar buiten loop, kom ik voorbij het stelletje, zie dat het meisje weer terug is gekeerd en de jongen heeft besloten om geen ruzie te maken. Met de handen inelkaar verstrengeld zitten ze bij elkaar, zachtjes te praten en liefkozende woordjes te fluisteren. Ik voel me blij voor hun, ook al ken ik hun niet. Het geluk dat ze op dat moment uitstraalde gaf mij een blij gevoel.
Terwijl ik naar de uitgang loop, gedag zeg tegen het personeel dat daar werkt, is mijn buik gevuld met warmte, dus ik kan er weer even tegenaan.
Het is half 3 snachts als ik thuis kom. Geen hond die naar mij vraagt, of me bestraft omdat ik om middennacht thuis ben gekomen. Ik woon nu al 3 jaar op mezelf. Ergens in een dorpje, 3 km van de stad af. Het is niet een mooi huis, met een grote tuin of groot en luxe. Het is een huisje dat ik van mijn oma heb gekregen, nadat ze naar een bejaardentehuis is verhuist. Het is mijn eigen stekkie. Waar ik me thuis voel. De woonkamer is apart en knus ingericht. Er staat een bank in, met een tv'tje. Verder hangen er overal foto's van van alles op de muur. Mijn muren zijn zwart, waardoor de gekleurde meubels en tafels goed afsteken, maar nog niet dat het met elkaar gaat vloeken. Mijn moeder heeft me geholpen met de inrichting van het huis, wat niet altijd even goed ging. Doordat we allebei koppig zijn, en allebei een beeld van de inrichting van het huis in ons hoofd hadden, konden we toch een compromi sluiten. Al is het mijn huis, mijn moeder heeft wel smaak moet ik toegeven. Het huis is niet te strak en ook niet te kinderachtig. Het is een huisje waar je je welkom in voelt.
Ik loop stilletjes de trap op, op weg naar mijn slaapkamer, dat domein is van mij, echt mij. Het staat vol met quotes en foto's van mij en mijn vriendinnen. Ik heb een tweepersoonsbed, met daarboven een plankje waar allemaal boeken staan, die ik ooit eens gelezen heb. Op mijn bureau liggen allemaal schriften en boeken, pennen en een computer. De kamer ligt bezaait met kleding van mij, waar ik nu nog te lui ben om het op te ruimen. Ik ben goed in het uitstellen van dingen.
Naast mijn klerenkast zit een make-up hoekje, waarop een spiegel staat die ik van mijn oma heb gekregen, het is een antieke een. Elke dag als ik op sta, en naar bed ga kijk ik er in. Dan bekijk ik mijn kleine mond, waar soms een hoop lawaai vandaan komt, en soms zo stil is dat je me vergeten zou. Dan bekijk ik mijn iets wat ingevallen wangen en tel ik mijn sproeten. 13 zijn het er. 6 aan de linkerkant van mijn gezicht en 7 aan de rechterkant. Langzaam kom ik op het punt dat ik mezelf aanstaar, mijn ogen. Ze zijn blauw, helderblauw. Soms schrik ik er wel van, doordat mijn huidskleur vaak bleek is, en mijn ogel fel blauw, steekt mijn zwarte hangende haar fel af.
En telkens als ik mijn eigen spiegelbeeld zie schrik ervan. Ik ben nooit op dat punt gekomen om dat te accepteren, ik schrik er gewoon van.
Elke morgen en avond als ik naar bed ga en van bed kom ga ik voor de spiegel staan, ik kan er urenlang voor staan, gewoon in mezelf zitten dromen. Naar mezelf kijken, wat ik zou willen veranderen, waar ik blij mee ben. Dan bedenk ik me, hoe het zou zijn geweest als ik anders was. Maar dat is niet te veranderen. Want ik vind het bullshit, dat gepraat over plastische chirugie.
Want ondanks dat ik wat aan mijn uiterlijk zou willen veranderen ben ik blij met mezelf.
Met mijn hand raak ik langzaam mijn gezicht op het glas aan, het is onkrenkbaar. Geen gevoel dat ik heb als ik langs mijn wang naar mijn hals toe ga, ik voel alleen het koude glas dat mijn vingers aanraken.
Ik zie de wallen op mijn gezicht, opeens ben ik uitgeput. Ik ben uit mijn roes, vlug poets ik mijn tanden en kleed me om. Ik ga slapen, morgen zie ik wel wat ik ga doen. Immers is het vakantie, en ben niet van plan om een vakantierooster te maken. Ik zal wel zien hoe de dagen verlopen.
